Beste Meneer Mortier, 

Wat een toeval, dat u in mijn geboortejaar begon te schrijven. 

Wat een toeval, dat ik een boek van u las, dat mijn kijk op de wereld veranderde. 

Ik bewonder uw nuchterheid in Gestameld Liedboek, hoe u zò kan schrijven over uw moeder en over hoe haar lichaam nog bij u aan tafel zit, maar haar geest al lang een andere weg is ingeslagen. 

Elke zin – of zal ik het een versregel noemen – is een parel. 

Ik heb het boek in één keer uitgelezen. Op mijn eentje in mijn witte sofa. Af en toe sla ik het nog eens open en lees ik een bladzijde, of twee, leg het dan weer weg. Uit angst om zoiets moois kapot te lezen. 

Eerlijk, meneer Mortier, ik heb vaak voor uw boeken gestaan in de boekenwinkel. De flap gelezen. Teruggezet. De eerste pagina gelezen. Teruggezet. 

Ik ben bang. Bang dat uw tweede boek me niet zo zal bekoren als het eerste. 

Enkele weken terug heb ik Godenslaap gekocht. Het staat nu te pronken in mijn boekenkast. Klaar om gelezen te worden. En lezen zal ik het, meneer Mortier. Op een dag, in mijn witte sofa. 

Met bewondering, 

Tess