Guy Cassiers voor zijn Toneelhuis

We ontmoeten Guy Cassiers, peter van Den Triangel, op zijn kantoor van het Toneelhuis. De artistiek directeur van den Bourla begroet ons spontaan met een vriendelijke glimlach. “Amai, jullie zijn met twee gekomen. Allemaal voor mij? Ik voel me vereerd.”

Bio: Guy Cassiers

  • Geboren in 1960 te Antwerpen
  • Zoon van komiek en regisseur Jef Cassiers
  • Vanaf 1998 artistiek leider Rotterdamse Ro Theater tot 2006
  • Werd in 2006 artistiek leider van het Toneelhuis
  • Hoort bij top Europese toneelmakers
  • Stopt in 2021 als artistiek directeur van het Toneelhuis

Guy Cassiers, u stopt eind 2021 als artistiek directeur van het Toneelhuis. Waarom nam u die beslissing?

“Ik vind het wel voldoende als je vijftien jaar aan het artistieke roer staat van het Toneelhuis. In het traject dat ik heb afgelegd, heb ik kunnen vertellen wat ik wilde vertellen. De Bourlaschouwburg is niet mijn eigendom. Het is van niemand. Het is een huis waar de toeschouwers de constante residenten zijn en dat moet vooral zo blijven. De tijd die je hier hebt, moet je als acteur, regisseur of artistiek leider zo goed mogelijk benutten. Daarna moet het huis zichzelf kunnen vernieuwen. Eigenlijk is vijftien jaar al heel lang, maar ik ga het wel ontzettend missen.”

Hoe bent u in de eerste plaats in de theaterwereld gerold?

“Mijn jeugd bracht ik in Antwerpen door. Ik studeerde grafiek aan de academie. Het is niet dat ik op één dag besliste: ‘nu ga ik toneel doen’. Op school organiseerde ik in de jaren 80 veel feestjes en die brachten tamelijk wat geld op. Met dat geld zijn we voorstellingen beginnen organiseren. Wij noemden dat geen theater, maar er kwam wel een publiek naar kijken. In Antwerpen gebeurde er toen veel naast het theater, in garages en andere plekken. Ik bracht kunstenaars bij elkaar om samen dingen te maken. Zo zat ik nogal snel in een theatrale context. Ik wou mensen samenbrengen die ik interessant vond. Toen durfde ik het woord ‘theater’ niet uitspreken. Alles wat toen gesubsidieerd theater was, zag ik als de boeman. En kijk, nu zit ik er middenin.” (lacht)

U heeft in Rotterdam ook aan het hoofd gestaan van een stadsgezelschap. Wat is het verschil tussen Rotterdam en Antwerpen?

“De vraag die ik toen uit Rotterdam kreeg, had op dat moment nooit in Vlaanderen gekund. Het geloof en de durf om dat engagement met mij aan te gaan, was toen veel groter in Nederland. In Vlaanderen moet je jezelf eerst internationaal bewijzen, pas dan kan je terugkomen en je eigen ding doen. Ik heb een geweldige tijd in Rotterdam gehad, maar kende de geschiedenis van de stad minder goed. Ik ben trots op de voorstellingen die ik daar kon maken en ik heb de organisatie daar kunnen helpen in zijn ontwikkeling. Alleen durfde ik minder goed een gesprek aangaan over hoe de stad kon evolueren.”

“Ik vind Antwerpen heel ambigu”

Guy Cassiers

Hoe wilt u dat gesprek aangaan?

“Een theatervoorstelling is een intensivering van het nu, maar het reflecteert op een verleden. Daarnaast hoop je dat mensen door je stuk gaan nadenken. Dat brengt dan weer een toekomstperspectief. Je hebt als theatermaker een brugfunctie van verleden naar toekomst. In Antwerpen durf ik dat gesprek wel aan te gaan. Ik begrijp de geschiedenis en de taal van de Antwerpenaar, maar ook de politieke situatie. Of om eerlijk te zijn, begrijp ik de politiek misschien toch niet helemaal. (lacht) Maar ik voel dat ik hier steviger in mijn schoenen sta om mee het gesprek te voeren. Je hebt als toneelhuis nu eenmaal een verantwoordelijkheid.”

Welke verantwoordelijkheid is dat dan?

“Als theater moet je niet alleen belangrijke stukken maken, maar ook het sociaal weefsel stimuleren. Als hoofd van een cultuurhuis moet je dat doen. In Antwerpen durf ik dat. Hier is het makkelijker om iets te maken dat mijn publiek doet nadenken.”

Wat maakt Antwerpen dan zo speciaal?

“Ik vind Antwerpen heel ambigu. Ze pretendeert veel belangrijker te zijn dan dat ze eigenlijk is, maar dat heeft ook zijn charme. Door de haven is Antwerpen een stad die veel invloeden opneemt en ook uitstuurt. We denken door al die invloeden meer op een Europese manier dan we zelf beseffen. De Antwerpenaar, maar ook de Vlaming is een heel kameleonachtig dier. We nemen veel invloeden op en passen ons daaraan aan. Omdat we zo klein zijn, is er weinig druk. Ondanks dat onze middelen, onze subsidies, niet gigantisch zijn, staat daar een ontzettende vrijheid tegenover. Wij bepalen inhoudelijk wat er aan bod komt. Europa kijkt met grote ogen naar wat wij maken.”

Welke rol speelt de Triangelbuurt in heel dat gegeven?

“Het is van ontzettend groot belang dat er veel cultuurhuizen in de Triangelbuurt liggen. Het is namelijk het centrum van de stad. Je merkt tegenwoordig dat het commerciële aspect de buurt, en heel Antwerpen, aan het overnemen is. Daardoor dreigen we het hart van deze stad te verliezen. Het sociaal weefsel dreigt te verdwijnen. Alles wat ’s avonds leeft, wordt eigenlijk weggekocht door grote ketens. Dat is een gevaarlijke tendens, die je in alle steden ziet.

U schreef ooit voor Den Triangel een pleidooi waarin stond: “Een buurt moet een verbeelding over zichzelf ontwikkelen. En dat met de nodige creativiteit.” Wat bedoelt u daarmee?

“Een theatervoorstelling kan over iets heel relevants gaan, toch blijft het fictie. Vanuit de verbeelding of fantasie kijk je naar de realiteit. Een wijk pretendeert ook iets te zijn. Een wijk streeft ergens naartoe en maakt het zo waar. De Arenberg, hetpaleis, het Toneelhuis, … Al die verschillende werelden versterken elkaar in hun verscheidenheid. Daardoor krijg je veel stemmen die nadenken waarover we als samenleving bezig zijn. Op die manier proberen zij een culturele identiteit op te leggen. We mogen niet onderschatten wat voor sterke persoonlijkheid de driehoek van den Triangel met zich meedraagt.

We mogen als Antwerpenaar dus fier zijn?

“Ik denk dat de Antwerpenaar fier is, maar niet altijd op de juiste dingen. Zeker op gebied van culturele identiteit beseffen we niet genoeg wat er allemaal gebeurt. Onze culturele eigenheid is bepalend voor het imago van de stad. We zetten Antwerpen op de kaart en wekken op die manier interesse naar de stad toe.”

“Als theater heb je nu eenmaal een verantwoordelijkheid”

Guy Cassiers

Invisible Cities, het project waar de onzichtbaren in onze samenleving een stem krijgen, heeft u zelf mee opgestart. Waarom?

“Dat project is ontstaan na een stuk gebaseerd op het boek De Welwillenden van Jonathan Littell. Het boek vertelt het verhaal over een nazi die zijn fouten toegeeft, maar wel beweert dat iedereen hetzelfde zou doen als je in zijn schoenen stond. Je wordt meegesleurd in het verhaal van die nazi-officier, dat we dachten: ‘hier moet een tegenreactie op komen.’ Het verhaal heeft het niet over de slachtoffers. Er zijn heel veel stemmen die niet gehoord worden, zowel hier als in andere steden. We wilden dat onzichtbare een stem geven als tegengewicht voor het stuk en het boek. Het initiatief is gestart in Antwerpen, maar ondertussen opgepikt in andere steden en dat is een goede zaak.”

U heeft net de première van het stuk Bagaar samen met acteurscollectief Lazarus achter de rug. Hoe verliep die samenwerking?

“Voor mij was het een totaal andere ervaring in vergelijking met hoe ik normaal werk. Zij vertrekken van een tekst en komen samen tot een besluit. Dat is helemaal anders dan ik, als regisseur. Ik bereid een plan voor en teken kaders uit waarbinnen de acteurs moeten blijven. Het was dus niet evident om in het repetitieproces een manier te vinden om die twee werelden samen te brengen. Ik ga niet onder stoelen of banken steken dat het af en toe botste, maar uiteindelijk denk ik dat het een meerwaarde is voor beide partijen. Je moet jezelf opnieuw openstellen. Je leert omgaan met een andere manier van theater maken en dat is spannend.”

Het stuk gaat over de vluchtelingenproblematiek. Wat probeert u daarmee aan te kaarten?

“Ik ben al een tijdje bezig met die problematiek. Het is interessant om te zien hoe wij daarmee omgaan. Op Europees niveau dreigen we in ons eigen isolement opgesloten te geraken. We dreigen zelfs onze morele waarden waar Europa voor staat, te verliezen. Ik baseerde het stuk op de film Coup de Torchon, van Bernard Tavernier. Dat leek me een goede invalshoek om die problematiek aan te kaarten. Dat is ook de kracht van theater. Waar krijg je nog de kans om twee uur na te denken over een bepaald thema?

Tegenwoordig krijgt degene die het hardst roept het meeste aandacht. Wij zijn het tegenovergestelde van de politici. Zij horen het te weten. Wij stellen vragen, maar moeten daarom geen antwoorden poneren. Ik denk dat je daar soms verder mee komt, want met theater kan je de diepte ingaan.”

Wat brengt de toekomst na het Toneelhuis?

“Nog geen idee. Ik ben nog te veel bezig met wat ik de resterende jaren nog ga kunnen doen. Misschien heb ik erna wel tijd om voltijds mijn peterschap van den Triangel op te nemen.” (lacht)